Gebouwen met meerdere niet-residentiële eenheden

Aanpassing 2022: Werkwijze

Een pand met niet-residentiële delen wordt verkocht of verhuurd. Is een EPC klein niet-residentieel nodig en welke gebouwdelen neem ik mee in het EPC?

Raadpleeg de werkwijze en voorbeelden in

STAP 1

Het EPC wordt opgesteld per gebouweenheid. Wanneer een gebouw met niet-residentiële delen wordt verkocht of verhuurd, gaat u daarom eerst na hoeveel eenheden er aanwezig zijn.

Een gebouweenheid is de kleinste eenheid binnen een gebouw die geschikt is voor woon-, bedrijfsmatige, of recreatieve doeleinden en die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde circulatieruimte. Een gebouweenheid is in functioneel opzicht zelfstandig.

Bij niet-residentiële eenheden hangen de nodige voorzieningen af van de functie van de eenheid. De aanwezigheid van een eigen toilet of andere sanitaire voorzieningen kunnen een indicatie zijn voor functionele zelfstandigheid, maar vormen geen strikte voorwaarde.  

STAP 2

Bepaal de hoofdbestemming van de gebouweenheid. Is deze niet-resentieel?

  • Als gebouwdelen met de bestemming industrie meer dan 70% van de bruikbare vloeroppervlakte innemen, is de hoofdbestemming van de gebouweenheid industrie. 
  • In alle andere gevallen is de hoofdbestemming gelijk aan de bestemming (die niet industrie is)  met de grootste bruikbare vloeroppervlakte

De feitelijke situatie wordt beschouwd.

Als er geen grootste bruikbare vloeroppervlakte bepaald kan worden en geen redelijke inschatting, is de hoofdbestemming niet-residentieel. Bij twijfel over de hoofdbestemming, moet eveneens 'niet-residentieel' genomen worden.

Is de hoofdbestemming industrie of landbouw, dan kan er geen EPC opgemaakt worden.

STAP 3

Ga voor elke gebouweenheid na of het een kleine niet-residentiële eenheid betreft.

Er moet daarbij voldaan zijn aan alle volgende voorwaarden:

  • Een niet-residentiële (hoofd)bestemming (dus geen landbouw, industrie of residentiële bestemming)
    • voorbeelden van functies die voorkomen in een niet-residentiële bestemming: kantoor, handel, horeca, logeerfunctie, andere of onbekend)
  • De eenheid is klein: de bruikbare vloeroppervlakte van de gebouweenheid (BVO) ≤ 500 m²
    Hierbij beschouwt u de gehele gebouweenheid.
    • In het voorbeeld van een kantoor telt u dus ook de refter en rookruimte mee. In het voorbeeld van het handelspand met een studio die geen wooneenheid is, telt u de studio mee.
  • De gebouweenheid maakt geen deel uit van een groot niet-residentieel geheel: het aaneengesloten geheel van niet-residentiële gebouweenheden binnen hetzelfde gebouw waarvan de gebouweenheid deel uitmaakt, heeft een bruikbare vloeroppervlakte die niet groter is dan 1000 m² en bevat geen niet-residentiële eenheid die groter is dan 500 m².

Bij twijfel of een constructie één of meerdere gebouwen vormt, wordt uitgegaan van de indeling in het Gebouwenregister

Voor de bepaling van het aaneengesloten geheel van niet-residentiële eenheden, raadpleeg ook het handige  pdf bestandEPC 2022 - Wegwijs in het EPC per gebouw(eenheid) - versie 1-9-2022 (864 kB)

Published on: 
05-05-2022